Selecteer een pagina

Journalistiek en branded content

Informeren in een complexe wereld

Nieuws en informatie zijn alom aanwezig. Toch betekent dat nog niet dat we hierdoor de samenleving beter begrijpen. Zonder context, verbanden en scherpe vragen komen we er niet. Inzicht in de maatschappij is wel van belang voor een vitale democratie. Met mijn journalistieke schrijfwerk wil ik bijdragen aan dit doel.

Als journalist schrijf ik achtergrondverhalen om grip te krijgen op maatschappelijke problemen. Ik breng verschillende perspectieven samen. Als ik bijvoorbeeld schrijf over studiestress, vertrek ik vanuit ervaringsdeskundigen, maar zoek ik ook naar antwoorden in de maatschappij- en geesteswetenschappen. Daarnaast schrijf ik ondernemersverhalen. Daarmee hoop ik ondernemers handvatten te bieden en te inspireren. Vaak gaat het hier om branded content.

Portfolio

Klik op de kopjes voor mijn portfolio items

 

Toelichting: journalistiek artikel. Niet gepubliceerd.

‘We moeten ons afvragen of opwaartse sociale mobiliteit de heilige graal is’

Wie de krant openslaat, wordt ermee overspoeld: mentale druk en studiestress onder studenten. Is de kwestie prangend, of groeit de berichtgeving erover sneller dan de omvang van het probleem?

DEN HAAG – Hun zekerheden brokkelen af, de druk op hun schouders neemt toe en hun geduld raakt op. Zo laat het studentenprotest in Den Haag in november vorig jaar zich samenvatten. Samen met andere jongerenbewegingen had de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) studenten opgetrommeld om te demonstreren voor de afschaffing van het leenstelsel in het onderwijs. Het moment werd tevens aangegrepen om tal van problemen waar jongeren meer worstelen te benoemen. Mentale druk en stress: die woorden keren geregeld terug. Maar wat is hier eigenlijk over bekend? Wat voor druk ervaren veel studenten? Wat zijn de oorzaken ervan? Wat zegt dit over onze huidige samenleving? Moeten studenten zelf een manier vinden om hun stress te verminderen, of vraagt dit om maatschappelijke veranderingen? Deze vragen vormen de leidraad van dit artikel.

Lisa de Leeuw, voorzitter van ROOD, de jongerentak van de SP, windt er geen doekjes om in haar toespraak deze middag op het Lange Voorhout. Met een persoonlijke anekdote legt ze de vinger op de zere plek. “Als ik mijn webpagina van DUO open, krijg ik buikpijn, dan zie ik mijn studieschuld van 38.000 euro staan. Herkennen jullie dat?”, vraagt ze aan de menigte. Ze wijst verder op burn-out-klachten onder studenten en hekelt de flexibilisering van de arbeid. “Meer dan de helft van de jongeren heeft een flexcontract. Wat is dat voor vrijheid? Dat heeft níks met vrijheid te maken. Ondernemers schuiven hun risico’s op ons af. Het kan anders, en dit is de eerste stap naar verandering. We gaan door, én we gaan winnen.”

De speeches door FNV Jong en Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs passen in hetzelfde stramien. Timon van Engen, voorzitter van JOB, wijst op de ballen (studie, bijbaan, sociaal leven, schulden) die de huidige student in de lucht moet zien te houden. Zijn conclusie: “We slopen onszelf en onze generatie. Waar zijn we mee bezig? Wij zijn de eerste generatie die het minder heeft dan onze ouders. Maar dat geeft niks, aldus politiek Den Haag. Als presentje krijgen we een renteverhoging bovenop het huidige schuldenstelsel. Maar we zijn geen schaakstukken in een groter spel.”

Na het verbale wapengekletter volgt een protestmars door het centrum. Het marcheren bezweert deels de kou, maar het werkelijke doel is dat de politici in het torentje er iets van meekrijgen. De deelnemers scanderen tot ze er schor van worden: “Kabinet asociaal, schulden zijn niet normaal.” Mocht hun stemgeluid aan kracht inboeten, dan kunnen ze terugvallen op het stille protest: omgeknoopte bordjes met daarop schuldbedragen die schommelen tussen de twintig- en dertigduizend euro.

In de menigte bevindt zich Carline van Breugel, voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb). De dag voorafgaand aan de demonstratie legt ze uit waarom ze naar Den Haag afreist: “Het is akelig dat de landelijke overheid met het leenstelsel het signaal afgeeft dat lenen normaal is. Hiermee geeft de regering het slechte voorbeeld. Het opbouwen van schulden geeft studenten een valse start op de arbeids- en woningmarkt: je werkt om je lening terug te betalen en krijgt straks minder hypotheek. Ook maak je studeren minder toegankelijk voor degenen die minder te besteden hebben.”

De schulden die studenten opbouwen, zorgen volgens haar voor het extra belasten van de toch al drukke student. “Je moet een goed cv hebben, buitenlandervaring hebben opgedaan, goed Engels spreken en hoge cijfers halen. Dat je tegenwoordig de beste moet zijn om op te vallen bij werkgevers is echt niet alleen een gevoel dat studenten hebben. Het is een trend dat een masterdiploma niet genoeg is. Vroeger had je na het afronden van je studie kans op een baan met een vast contract, nu zie je steeds meer flexibele contracten, waarbij je het risico loopt keer op keer te moeten solliciteren. Ook dan vragen werkgevers erg veel van je. Je moet een stuk of tien competenties beheersen. Creatief en innovatief zijn, bijvoorbeeld, en tevens kunnen samenwerken. Je moet álle kwaliteiten bezitten, ook al staan ze haaks op elkaar. Maar zo zit een mens niet in elkaar. Je hebt een karakter met bepaalde eigenschappen en kwaliteiten.”

Dat studenten in nood terechtkunnen bij een studentenpsycholoog is volgens Van Breugel goed, maar niet de werkelijke oplossing. “Je moet die situatie eigenlijk voor zijn. Er moet veel meer preventief gebeuren. Daar moet de overheid aandacht aan besteden. Het afschaffen van het leenstelsel en herintroduceren van de basisbeurs is een eerste stap die studenten lucht geeft. Daarnaast moet goed onderzocht worden welke factoren voor druk zorgen bij studenten. We noemen bijvoorbeeld heel vaak sociale media als stressfactor, maar klopt dat wel?” De studentenvakbond ondervroeg in 2017 studenten naar hun gezondheid en burn-out-klachten. Toen werd duidelijk dat veel studenten een hoge werkdruk ervaren. Van Breugel heeft niet de indruk dat de situatie inmiddels veel beter is.

Presteren
Een van de jongeren voor wie de studiedruk te hoog werd, is Nick Ligthart. De voorzitter van Student Alliance Wageningen besloot het studentenprotest bij te wonen om klaar te staan voor medestudenten. “Er ligt veel druk op hen, maar toegeven dat je die druk ervaart, is nog steeds een taboe. Een deel van die druk komt door het lenen. Studenten lenen veel, merk ik als ik om me heen kijk. Ik verwacht zelf ook een schuld op te bouwen van 60.000 euro. Ik betaal nu mijn collegegeld, huur en de boodschappen. Daarnaast moet er wat overblijven voor een biertje. Ik heb een bijbaan bij een outdoor centrum, maar daar red ik het niet mee. Veel tijd voor een grotere bijbaan heb ik niet. Ik maak vaak lange dagen op de universiteit.”

Maar momenteel doet Ligthart, student land- en waterbeheer aan Wageningen University and Research, een tussenjaar. Zijn studie staat even op een lager pitje. Hij is kort geleden een depressie te boven gekomen. “Ik wilde en moest van mezelf presteren. Maar door een ooginfectie miste ik veel tentamens, waardoor dat niet kon. Het uitzicht op studievertraging trok ik niet. Ik voelde mezelf op een gegeven moment waardeloos, had het gevoel dat niemand me mocht. Ik kwam op de wachtlijst voor een psycholoog te staan. Na acht weken werd ik geholpen. Ik heb veel baat bij die behandeling: ik kan het piekeren stopzetten, ben minder perfectionistisch en heb geleerd dat het niet erg is om je zwaktes te tonen. Mensen tonen hun zwaktes niet snel, maar dat moet wél kunnen. Door erover te spreken wil ik bijdragen aan deze verandering.”

Ligthart ziet studenten worstelen met werkdruk. De herinvoering van de basisbeurs kan volgens hem de druk op de ketel verlichten. Het hele verhaal is dat echter niet. “Het probleem is breder. Medewerkers op de universiteit, dus niet enkel studenten, werken zich een slag in de rondte. Ik zie verder veel studenten flink aan hun cv bouwen. In mijn studie speelt dat minder, maar onder rechten- en psychologiestudenten des te meer. Door het studentenoverschot moet je veel doen om op te vallen. Wat niet helpt, is dat werkgevers voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten. Ze gaan voor de hoge cijfers, terwijl studenten met lagere cijfers ook inzet tonen en hard willen werken. Verder kan stress ontstaan wanneer je beseft dat je niet op je plek zit. Het is moeilijk om de goede keuze te maken door het grote studieaanbod. Van die keuze hangt wél veel af: wat als je verkeerd kiest? Kun je dan nog switchen? De overheid moet ervoor zorgen dat dit makkelijk kan.”

‘Geen mediahype’
Is de Wageningse student een uitzondering, of komen er meer studenten ernstig in de knel in Wageningen of op andere universiteiten? Is de kwestie prangend, of groeit de berichtgeving erover sneller dan de omvang van het probleem? Volgens Simon Vink, woordvoerder van de Raad van Bestuur van Wageningen University and Research, neemt het aantal studenten dat wordt opgevangen door de werkgroep studentenwelzijn toe. Cijfers heeft hij niet. De studentenpsycholoog staat uit het oogpunt van vertrouwelijkheid de media niet te woord. Deze toename wijst volgens Vink niet noodzakelijk op meer studiestress: “Studentenwelzijn is veel breder dan dat. Zo’n melding kan bijvoorbeeld ook te maken hebben met de zoektocht naar een woonruimte. Het beperkte woningaanbod kan stress veroorzaken. Verder zie je een verschuiving van eigen verantwoordelijkheid naar het vragen om hulp. Dat kan erop wijzen dat stress onder studenten niet perse erger wordt, maar slechts uitgesproken wordt. Vroeger was je misschien van mening dat je zelf moest dealen met stress, nu schakel je hulp in.”

Dit alles neemt volgens hem niet weg dat stress onder studenten wel degelijk serieus genomen moet worden. “Het is echt niet alleen een mediahype.” Via de werkgroep studentenwelzijn houdt de universiteit de vinger aan de pols om klachten van studenten vroegtijdig te signaleren en naar oplossingen te zoeken. Bovendien hebben studenten een jaarlijks gesprek met de onderwijsdecaan over hun studievoortgang. Dat is tevens een moment waarop hij peilt hoe het met ze gaat. Behalve studenten hebben ook docenten het druk, bevestigt de woordvoerder. “Dat brengt de combinatie van onderwijs, onderzoek en bestuurlijke taken met zich mee. Het aantal studenten per medewerker is toegenomen. Die drukte pakken we nu aan met extra geld voor leerstoelgroepen: nieuwe medewerkers ontlasten docenten.”

De studentenpsycholoog van Tilburg University, Jos Haarbosch, praat in tegenstelling tot die van Wageningen wel met de pers. Dat studenten met stressklachten bij hem aankloppen, is geen nieuw fenomeen, benadrukt hij. Stress staat al jaren in de top vijf van studie- en studeerproblemen van de studenten aan deze universiteit. De andere vier op de lijst zijn concentratie, discipline, faalangst en motivatie. Stress en motivatie wedijveren om de eerste plaats. Tussen 2010 en 2014 was ongeveer vier procent van het totale aantal studenten aan de Tilburgse universiteit in behandeling bij een studentenpsycholoog. De lichte daling in de jaren erna verklaart de psycholoog door te wijzen op de gewijzigde aanmeldprocedure.

In Den Haag benoemden de studenten uiteenlopende factoren die voor druk en stress zorgen. Maar wat zijn volgens Haarbosch de veroorzakers? Een eenduidig verhaal heeft hij niet: ieder individu is uniek. Of een student gestrest raakt, en door het langdurig ervaren van stress in een burn-out belandt, hangt grofweg af van drie aspecten, zegt hij: persoonskenmerken, de rol of taken die hij uitoefent en, tenslotte, zijn sociale inbedding. Concreet en kort door de bocht: wat is je mindset? Hoe ziet je taak eruit? Wat is de kwantiteit en kwaliteit van je sociale leven? Bovendien lopen mensen die perfectionistisch zijn, overmatig betrokken zijn of een grote controlebehoefte hebben, meer risico op stress, benadrukt hij. Ook het geloof in het maakbaarheidsideaal kan averechts werken doordat het individu meent veel te kunnen bereiken, maar op een weerbarstige werkelijkheid stuit. Bijeengepakt geven deze aspecten de studentenpsycholoog voldoende grip om studenten die uit de bocht vliegen weer op de rails te zetten of, liever, te voorkomen dat ze in de problemen komen. Dat is de overtuiging van Haarbosch.

‘Gebrek aan kennis over mentale druk’
De kwestie is breder te trekken dan het protest in Den Haag en de Tilburgse en Wageningse universiteiten. Maar eenvoudiger wordt het verhaal er niet op. Waar Tilburgse onderzoekers in NRC Handelsblad (26 april 2018) de stabiliteit van de psychische gezondheid van Nederlandse studenten – en jongeren in het algemeen – benadrukken, bewaart het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) veel ruimte voor twijfel: kennis over mentale druk ontbreekt simpelweg, aldus het instituut. Hoe zit het nu?

Eerst de Tilburgse onderzoekers. Peter van der Velden (GZ-psycholoog), Marcel Das (hoogleraar Econometrie en Dataverzameling) en Ruud Muffels (hoogleraar Labour Market and Social Security) schrijven in de bovengenoemde krant dat de psychische problemen onder studenten niet toenemen. Die conclusie baseren ze op een analyse van gegevens uit het longitudinale LISS-panel van onderzoeksinstituut CentERdata. Dat panel steunt weer op een aselecte streekproef van 7.500 mensen uit de Nederlandse bevolking, getrokken door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De onderzoekers vergeleken de psychische klachten van drie groepen jongeren, namelijk die waarvan de leden in 2007, 2012 of in 2017 19 tot 24 jaar oud zijn. Een stijging van de klachten vonden ze niet.

In aanvulling hierop benadrukt het RIVM hoe weinig we nog weten over mentale druk en stress onder studenten. Mede door professionals, beleidsmakers en burgers te bevragen bracht het instituut in kaart voor welke uitdagingen op het gebied van volksgezondheid de Nederlandse samenleving staat. Deze uitdagingen zijn geformuleerd in het rapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2018. De toegenomen mentale druk onder studenten is er één van.

Volgens Henk Hilderink, medeauteur van het rapport, is het een zeer urgente kwestie. “Hier hebben we echt een belangrijk agendapunt te pakken. We weten al veel over factoren die hart- en vaatziekten of kanker veroorzaken. Maar we weten nog bijzonder weinig van mentale druk. Het RIVM pikt allerlei signalen op. Niet alleen studenten klagen over die druk. Het is een probleem dat je tegenkomt in alle lagen van de maatschappij, bijvoorbeeld ook bij ouderen die werk en mantelzorg moeten combineren. We zien een stijging van mentale druk, maar kunnen dat nog niet goed met kwantitatief onderzoek onderbouwen.”

Die onderbouwing is geen gemakkelijke opgave, zegt Hilderink. Ten minste drie vragen moeten gesteld worden: wat bedoelen we met mentale druk en hoe meten we die? Welke factoren zorgen voor die druk? En tenslotte: wat is het effect van die druk op de menselijke gezondheid?” Voor een antwoord op deze vragen is vervolgonderzoek nodig. Het RIVM voert dit uit in opdracht van minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). De door het rijksinstituut gevoerde gesprekken met studenten voor de toekomstverkenning geven al een indicatie van het probleem. “Het kan gaan om prestatiedruk op school. De eisen op school worden hoger. Monitoring van schoolresultaten begint al op jonge leeftijd en neemt toe. Oefenen voor de Cito-toets gebeurt niet pas in groep acht, maar ondertussen in groep zes. Ook kun je druk ervaren doordat je ouders bepaalde schoolprestaties verwachten. Als je gaat studeren, komen daar nog meer factoren bij: bouw je een schuld op? Heb je naast je bijbaan nog tijd om te leren? In wat voor soort baan kom je straks eigenlijk terecht?”

De ratrace in het onderwijs, waarbij studenten onderling hun resultaten vergelijken, heeft het RIVM in de toekomstverkenning niet zozeer meegenomen als mogelijke stressfactor. Aandacht voor de rol van sociale media is er wél: die werken misschien het vergelijken van prestaties in de hand en moeten onder de loep worden genomen. Immers, wil iemand hetzelfde kunnen of bereiken als een voorbeeld op sociale media, dan ontstaat daar mogelijk druk.

Overigens hoeft het ervaren van mentale druk niet per definitie negatieve gevolgen te hebben, zegt Hilderink: “Dat beklemtoonden de studenten die ik sprak. Mentale druk valt niet samen met het hebben van een psychisch probleem. Sommige jongeren kunnen goed overweg met deze pressie, anderen komen wél in de problemen, bijvoorbeeld doordat die druk stress veroorzaakt.” De combinatie van meer kennis over het onderwerp, het voortijdig bieden van hulp en het bespreekbaar maken van mentale druk kan bijdragen aan een oplossing, zegt de onderzoeker. “Meer studenten dan voorheen stappen naar studentenpsychologen. Dat kan twee dingen betekenen: óf het probleem groeit, óf het probleem wordt bespreekbaar. Dit laatste is natuurlijk goed, want zo kun je voorkomen dat bijvoorbeeld een depressief gevoel omslaat in een depressieve stoornis. Of er niet méér nodig is bovenop deze maatregelen om de druk weg te nemen, zoals het veranderen van het onderwijssysteem of de samenleving als geheel, daar ga ik als onderzoeker niet over. Dat is de taak van de overheid.”

Individueel en maatschappelijk probleem
Het laatste woord over de oorzaken van mentale druk en stress onder studenten is dus nog niet gevallen. Ondertussen dringt de vraag zich op of we van studenten kunnen verwachten dat ze leren omgaan met prestatiedruk en stress. Tot op welke hoogte kunnen ze zélf iets aan die stress doen? Kan het ook zo zijn dat de onderwijsomgeving of de maatschappij teveel van ze vraagt?

Om van de stress af te komen, kunnen studenten zeker wat doen, beklemtoont Haarbosch. De studentenpsycholoog geeft daarbij handvatten. Die verschillen van geval tot geval, maar een algemene deler is wel te vinden. Veel van die handvatten krijgen invulling op de Tilburgse universiteit. Zo kunnen studenten onderling een intervisiegroep vormen waarin ze elkaar feedback en ondersteuning geven. Verder schrijven ze reflecties waarin zelfkennis en -acceptatie centraal staan. Mentoren kunnen ondersteuning bieden. Eventueel volgen coaching of assertiviteitstraining en in het uiterste geval psychotherapie. Verder dragen een gezond dag- en nachtritme, gebalanceerde voeding, sociale contacten, sport en meditatie bij aan hoe iemand in zijn vel zit, zegt Haarbosch.

Inzetten op weerbaarheid is goed, maar er moet ook worden gekeken naar hoe het onderwijssysteem bijdraagt aan de stressoren die studenten ervaren, zei Sirra Alofs, bestuurslid bij het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO), tijdens het VSNU-Café in december vorig jaar. “Want dat stressysteem zit er natuurlijk wél.” De Vereniging van Universiteit (VSNU) wijdde deze editie van het café aan het thema ‘de gezonde student’ om grip te krijgen op studiestress. Met “dat stressysteem” verwijst Alofs naar het boek waarin Wilma de Rek en Witte Hoogendijk uiteenzetten dat de mens is opgezadeld met een verouderd stresssysteem dat niet gewend is aan de moderne prikkels. Alofs: “Een welzijnsweek is goed, maar als je een bindend studieadvies (bsa) van 60 of 45 studiepunten hebt, gaat zo’n week de stress niet wegnemen. Dan zit je nog steeds in je hoofd met die bsa die je moet halen. Dit is geen verwijt aan onderwijsinstellingen. Het probleem is onderdeel van het onderwijsbeleid dat we hebben gevoerd waarin het rendement omhoog moet en studenten nominaal moeten afstuderen.”

We moeten er inderdaad voor waken stress onder studenten uitsluitend met behulp van de psychologische wetenschap te bekijken, zegt Mark van Ostaijen, bestuurssocioloog aan Tilburg University, op een later moment aan de telefoon. Want dat ontneemt het zicht op het grotere geheel. Natuurlijk speelt een stressreactie zich af in een individu, zoals de psychologie leert, maar zo’n reactie heeft alles te maken met de samenleving waarin hij of zij handelt. “Door studenten naar de psycholoog te sturen, wordt studiestress volledig in de schoenen geschoven van het individu: het wordt gereduceerd tot een probleem van de student, terwijl er misschien ook wat mankeert aan de maatschappelijke structuren. Die zijn weliswaar moeilijker te veranderen, maar we hebben ze toch echt zélf opgetuigd. Aanpassing daarvan is dus wel degelijk mogelijk.”

De sociologische wetenschap heeft in tegenstelling tot de psychologie wel zicht op deze structuren en kan wat hem betreft worden ingezet om grip te krijgen op de mentale druk onder jongeren. “In de sociologie maken we onderscheid tussen structure en agency. De vraag daarbij is of, en in hoeverre, een mens kan handelen in vrijheid, of dat de sociale structuur zijn gedrag bepaalt. Of je succesvol bent, hangt dus nooit enkel van je eigen handelen af: maatschappelijke factoren sturen je gedrag.” Dat maakt het aanpakken van het stressprobleem niet simpelweg een verantwoordelijkheid van diegene die stress ervaart. De structuur die we in onze samenleving hebben opgetuigd, zorgt voor “een enorme druk” op studenten. Daar twijfelt de bestuurssocioloog niet aan. “De stap van het vwo naar het wetenschappelijk onderwijs is groot. Je belandt op jonge leeftijd in een prestatiecultuur met veel prikkels. Alleen al het bindend studieadvies geeft veel pressie. Door het leenstelstel komt daar de financiële druk bovenop.”

Concrete stappen in het onderwijs
Onderwijspartijen, studentenbonden en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap braken zich al eerder het hoofd over het verminderen van de studiestress. In de Gezamenlijke Ambitie Studentenwelzijn signaleren ze de “psychische klachten onder jongvolwassen” en dragen ze verbeterpunten aan. Minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) stuurde het document 25 oktober vorig jaar naar de Tweede Kamer, als bijlage van haar brief over het onderwijsbeleid. In de brief uit ze haar zorgen over “studenten met psychische klachten zoals verschijnselen van een burn-out”. In navolging van het RIVM zoekt ze de oorzaken van de klachten bij een “opeenstapeling van factoren”. Ze schrijft: “Er heerst een maatschappelijke norm die veel van mensen vraagt, zoals het succesvol moeten zijn op school en in het sociale leven (fear of missing out). Daarnaast voelen jongeren de verwachtingen van ouders en stellen ze hogen eisen aan zichzelf, zoals het opbouwen van een goed CV en het halen van voldoende studiepunten, bijvoorbeeld om aan een norm van het bindend studieadvies te voldoen. Dit maakt het tot een complexe, maatschappelijke opgave die het hoger onderwijs ook oppakt.”

Een verdiepend onderzoek naar de druk die jongeren – niet enkel studenten – ervaren moet meer zekerheid verschaffen over de aangestipte oorzaken. De minister heeft het RIVM gevraagd dit onderzoek uit te voeren. Naar verwachting is deze studie dit voorjaar gereed, zegt Martijn Kamans, woordvoerder van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hij beklemtoont dat het probleem hoog op de agenda van de minister staat. Dat sommigen het leenstelsel zien als bron van stress, begrijpt Kamans, maar hij houdt in lijn met het RIVM rekening met een “optelsom van verschillende aspecten”. “Met de Gezamenlijke Ambitie Studentenwelzijn hebben we een goede start gemaakt om iets te doen aan deze maatschappelijke kwestie. Wellicht levert het onderzoek van het RIVM nieuwe inzichten op die ons verder helpen.”

Van Engelshoven laat het leenstelsel overeind staan. Het bindend studieadvies schroeft ze terug naar maximaal veertig studiepunten, zo kondigde ze aan in haar toespraak tijdens de opening van het academische jaar van 2018. Onderwijsinstellingen mogen de bsa-norm niet meer zelf vaststellen op bijvoorbeeld vijftig of zestig studiepunten. Studenten hoeven straks in hun eerste jaar niet alle studiepunten te behalen die in dit jaar te behalen zijn, maar twee derde ervan. Zo wil de minister voorkomen dat studenten onnodig struikelen en ervoor zorgen dat de psychische druk onder hen afneemt.

De gezamenlijke ambitie zet in op vijf speerpunten. Overheids- en onderwijsinstellingen brengen, in het geval van nieuw beleid en het aanpassen van eerder beleid, in kaart wat de effecten ervan zijn op studentenwelzijn. Daarnaast wordt de informatievoorziening voor studenten verbeterd, zodat ze weten waar ze terecht kunnen voor ondersteuning. Er worden meer studentenpsychologen ingezet en studenten krijgen meer financiële ondersteuning (twee miljoen euro). Ten slotte volgt er onderzoek naar onderwijsvernieuwing en krijgt het Team Studentenwelzijn van het Expertisecentrum Handicap en Studie jaarlijks tweehonderdduizend euro subsidie om onderwijsprofessionals en studenten voor te lichten over wat te doen aan studiestress.

Bart Pierik, woordvoerder van de Vereniging van Universiteiten, legt uit hoe het is gesteld met de uitvoering van de speerpunten: “Universiteiten zijn, waar nodig, bezig met het aanstellen van meer studentenpsychologen. Een vraag die universiteiten wel goed in de gaten moeten houden, is: waar ligt de grens? Ze kunnen geen tweedelijnszorgverlener worden. Er zit een grens aan de verantwoordelijkheid van de universiteiten om zorg te bieden.” Onder het verbeteren van de informatievoorziening aan studenten valt het bespreekbaar maken van studiestress, benadrukt hij. “Dat is een van de belangrijkste ontwikkelingen van dit moment. Want er is één ding erger dan stress, en dat is ermee rondlopen zonder dat je het kwijt kunt.”

Het VSNU-café over ‘de gezonde student’ is voor Pierik een belangrijke aanwijzing dat het onderwerp de taboesfeer inmiddels heeft verlaten. Wie de bijeenkomst bijwoonde, moest wel constateren dat de initiatieven als paddenstoelen uit de grond schieten. De Universiteit Leiden heeft de taskforce Studentenwelzijn opgezet, Wageningen University & Research zet in op stresspreventie en Maastricht University organiseerde een Well-being week. Ook studentenverenigingen in diverse steden zetten een vangnet op om studenten in de problemen te helpen. Mensen van diverse pluimage kwamen aan het woord. Pierik: “Het is zeker dat er veel gebeurt. Kijk ook naar de Radboud Universiteit in Nijmegen, die onderzoek doet naar haar studenten en daarin de vraag voorlegt: ‘Zijn jullie gelukkig? En zo nee, waar ligt dat aan?’ Dat vind ik goed.”

Bracht het café aspecten aan het licht die niet worden ondervangen door de bovengenoemde gezamenlijke ambitie? Pierik meent van niet. “De aanpak die er ligt, ziet voor zover ik kan beoordelen geen aspecten over het hoofd. Je hebt niet alleen het perspectief van een docent, maar ook van studenten, wetenschappers en politici. Dat is belangrijk, want het probleem is te complex om vanuit één perspectief te bekijken en op te lossen.” Wordt er voldoende rekening gehouden met stressoren die het onderwijssysteem met zich meebrengt, en wordt zo voorkomen dat het probleem enkel bij de student wordt gelegd? “Een aantal jaar geleden zeiden politiek en samenleving: we mogen onze studenten wel wat sneller laten afstuderen, ook om kosten te besparen. Nu zijn er soms klachten over het tempo. Het is dus zoeken naar een optimum: een juiste balans tussen onderwijsgeld en studiekwaliteit. De politieke vraag daarbij is of we bereid zijn meer te betalen om studenten wat lucht te geven.” Pierik wijst erop dat het beeld dat alle studenten door de opleiding heen gejaagd worden, genuanceerd kan worden. Zeventig procent van de studenten die een universitaire bachelor, een programma van drie jaar, volgen studeert binnen vier jaar af. Hoewel het versoepelen van het bindend studieadvies is bedoeld om de druk van de ketel te halen, kan dit volgens de woordvoerder averechts uitpakken. “Het risico is dan dat je maar blijft aanmodderen en te laat op de juiste plek belandt. Dan kom je later in de opleiding alsnog in de problemen.”

De discussie over ‘de gezonde student’ maakt duidelijk dat de ervaren stress in het onderwijs niet los gezien kan worden van het toekomstperspectief van de student op de arbeidsmarkt. Jutten studenten elkaar op om een goed cv op te stellen? Of is het ook zo dat het bedrijfsleven steeds hogere eisen stelt aan werknemers?

Judith Weerts, verantwoordelijk voor Leadership & Talent Development bij Heineken, verbaast zich over de trainees die bij het bedrijf solliciteren, zegt ze tijdens het VSNU-café. “Achter de cv’s die zich daar aandienen, zitten stuk voor stuk mensen met dubbele masters en vrijwilligerswerk, die ook nog eens veel gereisd hebben. Wij denken: wanneer heb je nog ontspannen of genoten van een biertje met vrienden?”

De studenten die Weerts spreekt in haar werk, menen dat Heineken deze norm stelt, met als gevolg dat sollicitanten “al deze dingen gedaan moeten hebben om überhaupt door de eerste ronde van een sollicitatie te komen”. De eisen van het bedrijf zijn misschien nog teveel afgestemd op een studielandschap dat inmiddels veranderd is, zegt ze. Destijds “had je acht jaar om te studeren, en eindeloze studiebeurzen. De situatie was ook gewoon echt heel anders. Dus ik denk dat wij als bedrijf onze verwachtingen moeten bijschroeven. Dit geldt voor Heineken, maar ik weet zeker dat dit ook bij andere bedrijven speelt. We kijken veel meer naar de mens achter de kandidaat en zoeken naar meer diversiteit”.

Deze “beweging” is Heineken aan het opstarten, onderstreept Weerts: “Ik heb niet de illusie dat de wereld hiermee meteen verandert. Maar wij moeten de druk ook verlagen.” Het bedrijf is immers niet op zoek naar tien identieke kandidaten die alles – van commissiewerk tot en met buitenlandervaring – hebben afgevinkt. Maar de verwachtingen van de bierbrouwer vormen niet de enige verklaring voor de perfecte cv’s, denkt ze. Het valt haar op dat jongeren van nu op allerlei vlakken in het leven willen presteren, het onderste uit de kan willen halen.

Kansen benutten
VSNU-woordvoerder Pierik hoopt dat andere bedrijven het voorbeeld van Heineken volgen. “Maar er zijn veel meer leuke banen dan alleen die van de multinationals. Natuurlijk stellen bedrijven soms onrealistische eisen. Ik denk dat dit probleem zichzelf wel oplost: de leuke kandidaten stappen gewoon naar een andere onderneming. Je krijgt als bedrijf met zulke strenge lijstjes echt niet de beste en leukste mensen binnen. Als student kun je bovendien in je achterhoofd houden dat je veel competenties pas op de werkvloer leert. Je hoeft juist niet van meet af aan alles te kunnen.”

Pierik stemt in met het beeld dat Weerts schetst van het probleem en eerder door het RIVM werd benadrukt: de ervaren stress komt niet louter voor bij academische studenten, maar wordt door veel jongeren ervaren, en dat op allerlei levensterreinen: “Wat voor druk je voelt, verschilt per individu, maar de algemene lijn is denk ik dat jongeren druk ervaren om iets met hun kansen te doen. Er zijn tegenwoordig echt veel kansen en mogelijkheden. Die willen ze benutten. Want: als je de kans had, waarom heb je ‘m dan niet gepakt?”

Als gevolg van de ontzuiling in Nederland ontstond inderdaad veel keuzevrijheid, bevestigt bestuurssocioloog Van Ostaijen: “We hebben eind jaren zestig en in de jaren zeventig de emancipatie gevierd. Op zich genomen is dat iets moois: individuen kregen meer ruimte voor het maken van eigen keuzes. Voorheen bepaalden de zuilen grotendeels je maatschappelijke positie. Sociale mobiliteit was moeilijk te realiseren, maar die vaste plek werkte wél louterend en gaf rust. Dat is door de ontzuiling radicaal omgedraaid met een enorme keuzevrijheid tot gevolg.”

Onderwijs speelt als emancipatiemotor een sleutelrol in het benutten van die kansen. Dat de onderwijsperiode levensbepalend is geworden, verklaart mogelijk deels de druk die studenten ervaren, denkt Van Ostaijen. Het belang van goed onderwijs is ouders in ieder geval niet ontgaan. Ze sturen hun kinderen op bijles in de race om de hoogste schoolprestaties, merkt onderwijspsycholoog Louise Elffers op tijdens haar boekpresentie van De bijlesgeneratie in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam: “Nederland is een geschoolde samenleving geworden. We hebben steeds meer hoger opgeleiden. Door die groeiende toestroom krijg je diploma-inflatie en verdringing op de arbeidsmarkt. Werkgevers kunnen hogere eisen stellen aan kandidaten omdat het aanbod dat toelaat. Een mbo-student vertelde mij een keer: ‘Ik móet voor mijn gevoel wel doorstuderen in het hbo, want ik kan geen stageplaats vinden. Het bedrijf bleek eigenlijk alleen maar hbo-stagiairs te zoeken. Dus kun je nagaan hoe het is als ik straks een echte baan zoek.’.” Onderwijs heeft, kortom, een bepalende rol voor de positie die iemand inneemt in de samenleving, en door diploma-inflatie mikken veel mensen zo hoog mogelijk om boven het maaiveld uit te steken.

Misschien voelen jongeren de druk om via het onderwijs hun kansen te benutten, maar wellicht zijn er minder mogelijkheden dan het maakbaarheidsideaal suggereert. Onderwijs is immers niet enkel op te vatten als emancipatiemotor, schrijft Van Ostaijen in zijn onlangs verschenen boek Wij zijn ons. De nadruk op intelligentie in het onderwijs versterkt de kansenongelijkheid tussen mensen, zo bekritiseerde de Britse socioloog Michael Young in de twintigste eeuw de meritocratische samenleving waarin hij leefde. Van Ostaijen voert hem op in zijn boek omdat de kritiek van Young relevant is voor het begrijpen van de Nederlandse samenleving: “Onze maatschappij is door en door meritocratisch: het draait om verdiensten, prestaties en intelligentie. Dat zie je bijvoorbeeld terug bij de Citotoets, maar het onderwijs is slechts één subdomein van de outputcultuur die onze samenleving beheerst. In die cultuur is functionele rationaliteit leidend: scoren en targets halen worden een doel op zich. Door te presteren verwerft een individu aanzien.”

In het uiterste geval leidt deze outputcultuur, die zich niet beperkt tot Nederland, tot verafgoding van individuen, schrijft Van Ostaijen: “Zo hadden collega’s van Armstrong het over zijn ‘geoliede machine’, waarin iedereen zich ondergeschikt diende te maken aan de overwinningsdrang van de kopman.” De keerzijde van zo’n cultuur is dat er behalve winnaars ook verliezers zijn. “Wie in zo’n cultuur afgaat, hoeft niet op waardering te rekenen. Het contrast met de verzuilde samenleving is groot. Vroeger was je onderdeel van een collectief kader, de kerk, waar je troost vond voor je malheur. Dat was van therapeutische waarde. Deze kaders zijn we kwijt. Falen voelt als je eigen verantwoordelijkheid. Dat is een pijnlijke, ondraaglijke last: als je uitvalt ben je een loser. Dat meer mensen aankloppen bij de psycholoog kun je hier moeilijk los van zien”, verklaart de bestuurssocioloog.

Volgens hem moeten we onszelf een fundamentele vraag stellen: of opwaartse sociale mobiliteit wel de heilige graal van de samenleving dient te zijn. Hij wijst in dit verband op het werk van filosoof Kees Vuyk waarin het verheffingsideaal failliet verklaard wordt. Het ideaal schept een kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, die steeds meer in gescheiden werelden leven. Ook de bestuurssocioloog zet vraagtekens bij dit ideaal: “We stuiten op haar grenzen: niet iedereen schopt het ver in het leven. Het zou goed zijn als we anders gaan kijken naar falen: dat verzacht de pijn voor degenen die ermee te maken krijgen. Daarnaast zou ik het op prijs stellen als er in aanvulling op intelligentie andere kwaliteiten gewaardeerd gaan worden.” Hij heeft er een hard hoofd in dat zo’n kanteling op korte termijn plaats gaat vinden. “Net als in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk is ook in Nederland de meritocratie nog springlevend.”

Toelichting: branded content. Gepubliceerd in De Ondernemer (DPG Media). De pagina van De Ondernemer verschijnt iedere dinsdag in de regionale dagbladen van De Persgroep, Het Parool en het AD. Zo kunnen ondernemers zich presenteren als specialist op bepaalde onderwerpen. (www.deondernemer.nl)

Groeien door de circulaire economie: dit zijn de kansen voor ondernemers

Hoewel we onze mond vol hebben van de overgang naar een circulaire economie, is het onderwerp niet erg tastbaar. Wanneer je ondernemers echter concreet laat zien welke artikelen er te maken zijn van hun afvalstroom, komt daar verandering in, weet Casper van der Meer, medeoprichter van productontwerpbureau Better Future Factory in Rotterdam.

Het lineaire ontwerpproces, waarbij het product uiteindelijk op de schroothoop belandt, ging hem tegenstaan. Van der Meer kreeg het voorgeschoteld in de collegebanken op de universiteit: “Op een gegeven moment wekte dit irritatie. We produceren zoveel afval.”

Tel hier zijn nieuwsgierigheid naar kunststof bovenop en de ambitie om circulair te willen produceren, is geboren: “Kunststof is fantastisch materiaal met bijzondere eigenschappen. Dat het niet vergaat, is een zegen voor het product, maar een vloek voor de natuur. We kunnen niet meer zonder. Dus moeten we er anders mee omgaan. Er is nog veel onwetendheid over de toepassingen van gerecycled plastic. En de prijs van nieuw plastic ‘klopt’ niet: voor de koper is het voordelig, maar de samenleving draait uiteindelijk op voor de afvalberg. Dit moest anders.”

In 2012 kreeg Van der Meer samen met de rest van het team de kans om het tij te keren. Met een zelfgebouwde recyclemachine – een combinatie van shredder, extruder en 3D-printer -stonden ze op Lowlands, waar ze plastic bierbekers omzetten in sieraden voor de festivalgangers. “3D-printen stond nog in de kinderschoenen. En de extruder op maat die wij nodig hadden, bestond nog niet. Het leek op zwarte magie: we maakten van niets iets.” Op dezelfde manier maakt Better Future Factory nu voor bedrijven inzichtelijk wat ze met hun kunststof afval kunnen doen. Zo worden mislukte verpakkingen van een koffiefabrikant omgezet tot koffiekloppers en -treetjes.

“Met tastbare producten laten we zien dat je duurzaamheid onderdeel kunt maken van je productieproces. Dat is nog te weinig het geval: het wordt vaak gezien als vliegende keep.” Onwetendheid, een slecht imago en goedkope nieuwe grondstoffen maken circulair ondernemen een behoorlijke opgave, vindt Van der Meer: “Het vergt koppigheid. Bereid je voor op kritiek, want je ligt onder een loep, net als de klimaatspijbelaars die een hamburgertje eten. Bedenk dan: we doen ons best, maar we zijn geen heiligen.”

Groene Groeiers
Better Future Factory is één van de 237 ‘Groene Groeiers’ in Nederland. De bedrijven die zijn aangesloten bij dit netwerk van werkgeversorganisatie VNO-NCW zetten zich in op het gebied van duurzaamheid. Via deze kring wisselen ze kennis uit, op papier of op bijeenkomsten, en doen ze zaken. Op deze manier werd een andere Groene Groeier, Houweling Groep, klant van Better Future Factory. Tevens komen mkb’ers zo in contact met multinationals.

Verenigd in de Dutch Sustainable Growth Coalition (DSGC) ontwikkelt de laatstgenoemde groep circulaire bedrijfsmodellen voor eigen gebruik en om andere ondernemers te ondersteunen. Volgens Tessa van Soest, Programmamaker van de DSGC, is het aangaan van nieuwe samenwerkingsverbanden een belangrijke factor in de overgang naar een circulaire economie. Ze is ervan overtuigd dat de recente vestiging van het Platform for Accelerating the Circular Economy (PACE) in Den Haag bijdraagt aan kennisdeling en internationale samenwerking. “Bedrijven zoeken kansen om circulaire producten en diensten internationaal op te schalen. Dat gebeurt nu al in de aanpak van e-waste in Nigeria.”

Circulaire economie in kaart
Het Planbureau voor de Leefomgeving gaat in het rapport ‘Circulaire economie in kaart’ na hoe groot het gedeelte van de Nederlandse economie is dat circulair produceert. De onderzoekers komen uit op een percentage van vijf procent, wat neerkomt op zo’n 85.000 circulaire activiteiten. Het merendeel hiervan wordt verricht door mkb’ers, vertelt Maikel Kishna, medeauteur van het onderzoek. Denk aan fietsenmakers, garagehouders en kringloopwinkels die, bewust of onbewust, volgens kringloopprincipes werken. Een klein gedeelte van de activiteiten – zo’n 1.500 – is innovatief van aard.

Een volledig circulaire economie vergt meer innovatieve initiatieven, stelt het planbureau. Het ontbreken van technologische kennis is niet de grootste belemmering, zegt Kishna. “Kijk naar Swapfiets, waarbij je een abonnement neemt op een fiets inclusief onderhoud. Geen ingrijpend plan, maar een bestaand idee toegepast in een nieuwe context.”

De stappen richting zo’n economie worden versneld als in aanvulling op recycling hergebruik, reparatie, delen, leasen en circulair ontwerpen meer aandacht krijgen, zegt de onderzoeker. “We denken bij het woord circulair nog teveel aan het sluiten van de kringloop: we produceren iets en recyclen het vervolgens. Maar wanneer je deelt en hergebruikt, hoef je minder te produceren. Het klopt dat dit wel meer vraagt van een ondernemer: die moet misschien overstappen van goederen naar diensten.”

Grondstofgebruik obstakel circulair ondernemen
Ook de omgang met grondstoffen vormt een obstakel voor circulair produceren, meldt het rapport van het PBL. Het terugdringen van grondstofgebruik wordt niet gestimuleerd doordat het aanboren van nieuwe grondstoffen dikwijls goedkoper is dan het inzetten van gerecycled materiaal. Het imagoprobleem van circulaire artikelen dat Van der Meer benoemde, bevestigt de onderzoeker: “Dit is een moeilijke opgave. Ga maar na: de aanschaf van een refurbished mobieltje voelt anders dan een nieuwe. Ook al is de kwaliteit goed, we kiezen voor nieuw. Dit vraagt om een andere mindset van consumenten.” Zijn consumenten enthousiast, dan trekt dat ook makkelijker investeerders over de streep die nu terughoudend reageren op onbekende en onbewezen circulaire producten, zegt hij.

De onderzoeker ziet een voorzichtige kentering. Wel onderstreept hij dat producten hoe dan ook meer moeten bieden dan slechts het voldoen aan kringloopprincipes, willen ze aanslaan. “Je denkt niet: ik heb een circulaire fiets. Je denkt: wat fijn, ik hoef mijn fiets nooit meer zelf te repareren.”

 

Toelichting: branded content. Gepubliceerd in De Ondernemer (DPG Media). De pagina van De Ondernemer verschijnt iedere dinsdag in de regionale dagbladen van De Persgroep, Het Parool en het AD. Zo kunnen ondernemers zich presenteren als specialist op bepaalde onderwerpen. (www.deondernemer.nl)

Techbedrijf valt op dankzij ‘digitale dolfijn’ die IT-landschap ordent

Het Utrechtse ValueBlue weet zijn omzet en klantenbestand jaarlijks te verdubbelen. Inmiddels bedient het IT-bedrijf met zijn product BlueDolphin ook de Amerikaanse markt en helpt daar bedrijven meer overzicht te krijgen bij het gebruik van digitale applicaties. Jelle Visser van ValueBlue hoopt eind dit jaar een vestiging te openen in de Verenigde Staten. Hoe verklaart hij de groei?

“Was het een beetje te volgen?”, vraagt Jelle Visser, Marketing en Business Development Manager bij ValueBlue, na afloop van het interview. Visser streeft toegankelijkheid na. Die is niet alleen van belang voor een gesprek over IT, maar ook voor de producten van ValueBlue, vindt hij: “Waarom zijn de iPhone en Netflix zo succesvol? Vanwege de eenvoud, het gebruikersgemak. Dat gemak streven we ook na met BlueDolphin, een softwaresysteem dat bedrijven inzicht geeft in hun digitale landschap, een terrein dat bestaat uit processen en applicaties.”

Met de lancering van dat systeem in 2014 verlegde de onderneming de focus van dienstverlening naar productverkoop. Dat maakt een flinke groei mogelijk zonder omvangrijke personeelsuitbreiding, wat niet wegneemt dat er geregeld nieuw talent aan boord stapt. Van het algemene tekort aan IT-personeel in de sector merkt Visser niet veel. Dat het soms knap lastig is om nieuwe werknemers te vinden, ligt aan zijn eisen. Medewerkers moeten in zijn visie niet alleen gefocust zijn op het vak, maar ook – in lijn met de bovengenoemde toegankelijkheid – de vertaalslag van de materie naar de klant kunnen maken.

Met BlueDolphin geeft het techbedrijf antwoord op een probleem dat in de afgelopen twintig jaar is ontstaan, voornamelijk bij grote organisaties, zegt Visser. Zij zijn, zoals alle bedrijven, hun organisatieprocessen gaan digitaliseren. Denk bijvoorbeeld aan mailen in plaats van brieven posten. Dat is efficiënter, maar maakt tegelijkertijd afhankelijk van technologie. Die is bij organisaties in handen van infrastructuur-, applicatie- en procesbeheerders. Aanvankelijk hadden zij nog overzicht. Sluipenderwijs is er echter een wildgroei aan applicaties ontstaan.

“Vergelijk dit met de overstap van een mobieltje naar een smartphone. Heb jij nog zicht op al je apps en mails? Een bedrijf met zo’n vierhonderd applicaties verliest ook het overzicht.” Vóór de digitalisering werd het totaalplaatje bewaakt door een enterprise architect, maar zijn handwerk is “te statisch” om de digitale ontwikkeling te “vangen”. Daarnaast is zijn taalgebruik moeilijk toegankelijk voor anderen, wat kennisdeling binnen de organisatie belemmert.

Internationale markt
Doordat niemand zicht had op het totale digitale landschap van een organisatie, kwamen de consultants van ValueBlue niet toe aan hun eigenlijke taak: adviseren over procesverbetering. Ze waren immers bezig met het in kaart brengen van het digitale landschap van de klant, een tijdrovende klus die dikwijls maanden duurde. Hier ontsproot het idee voor een nieuw product: BlueDolphin. Niet enkel bedoeld voor de Nederlandse markt, maar ook voor onder andere Duitsland, België en nu de Verenigde Staten.

De merknaam is niet zonder reden ontleend aan het boek Blue Ocean Strategy, waarin een blauwe oceaan symbool staat voor een nieuwe markt. In aanvulling hierop verwijst de dolfijn uit de naam naar het sociale aspect van het product, legt Visser uit: “Als je me vraagt naar de onderscheidende kracht, dan is dit een belangrijk aspect: het zicht op de gedigitaliseerde bedrijfsprocessen is met ons product niet meer voorbehouden aan specialisten. Medewerkers brengen het overzicht van applicaties nu gezamenlijk in de cloud tot stand.” De traditionele enterprise architect brengt via “lijntjes en blokjes” het proces in kaart, BlueDolphin gebruikt daarentegen eenvoudige visualisaties.

Is het op orde brengen van die digitale structuur werkelijk zo belangrijk? Visser schiet een salvo argumenten af. “Het is de kick om erover na te denken hoe je met IT jouw bedrijf kunt verbeteren. Als je er zo mee omgaat, wordt het net zo leuk als het spelen van een computerspel. Natuurlijk, je kunt dankzij onze software kosten besparen als je weet welke applicaties overbodig zijn. Belangrijker is dat je als bedrijf erg snel kunt vernieuwen – je kunt de concurrentie voor zijn – als je zicht hebt op de samenhang tussen softwareprogramma’s. Stel, je wilt met je webshop je klant beter bedienen. Hoe ga je dat platform veranderen als je niet weet hoe je betalingssoftware daaraan gekoppeld is?”

Samenwerken met Microsoft
ValueBlue, opgericht door Wilko Visser (vader van, red.), bedient inmiddels meer dan honderd klanten. Onder hen bevinden zich gemeenten, ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, financiële instellingen en bedrijven. Twee organisaties zijn gevestigd in de Verenigde Staten: Superior Tank en een filmdistributeur waarvan Visser de naam niet mag noemen. Is het niet ontzettend spannend om als mkb-bedrijf (35 medewerkers) zaken te doen met grote Amerikaanse bedrijven?

“Ja, de omgangsvormen zijn anders. Amerikanen hakken sneller knopen door en zijn hiërarchisch ingesteld. De sprong is overigens niet zo groot als je misschien zou denken. Het belangrijkste is dat je vertrouwen hebt in de waarde van je product. Die wordt bevestigd door positieve klantervaringen. Die zijn het belangrijkste voor het werven van nieuwe klanten via mond-tot-mondreclame. Wat verder scheelt is dat organisaties het probleem dat wij verhelpen onderkennen. De uitdaging is personen te vinden bij wie ons verhaal landt. In Nederland vertel je het aan een enterprise architect, maar in Amerika komt dat beroep minder vaak voor. We werken samen met partijen als Microsoft en bezoeken geregeld internationale conferenties. Dat helpt bij het leggen van nieuwe contacten. Het kan overigens eenvoudiger. Onze eerste klant in de VS wist ons te vinden via onze website, waarop hij een demo aanvroeg.”

Toelichting: journalistiek artikel, gepubliceerd in DeMooiBernhezeKrant.

‘Ook bijen hebben een bed en breakfast nodig’

BERNHEZE – De insectensterfte in Nederland laat betrokkenen in de gemeente Bernheze niet onberoerd. “Stel, je bent een bij en je voedsel is op, dan moet je te ver reizen.”

De muurhagedis in Ontmoetingstuin Servaes in Heeswijk-Dinther houdt zich gedeisd, maar Jan van den Broek, vrijwilliger van het eerste uur bij IVN Bernheze, weet hem toch te spotten. Het feit dát het diertje hier leeft, zegt wat over de rijkdom aan insecten in deze tuin, die volgens hem kan dienen als voorbeeld voor gebiedsinrichting in Bernheze. De vraag naar de juiste gebiedsinrichting voor insecten rijst, aangezien Natuurmonumenten wijst op een sterke afname van insecten in de Nederlandse natuur.

Vanaf het dak van het ontmoetingscentrum geeft de vrijwilliger, die samen met Theo Brienen actief is in de werkgroep gemeentelijke plannen van IVN, aan voor welke uitdagingen Bernheze staat. “Zie je het contrast tussen de beschutte plekjes in de tuin van Servaes en de strakke maïsvelden? Het buitengebied bestaat dikwijls uit eilandjes die té monotoon van samenstelling zijn. Ieder eilandje moet niet alleen meerdere soorten groen bevatten voor een gevarieerd bodemleven. De eilandjes moet je tevens verbinden met behulp van natuur. Een bij moet nu te ver reizen voor voedsel. Niet alleen wij hebben een bed en breakfast nodig.” Zandwegen kunnen volgens hem een belangrijke rol spelen in de verbinding van eilandjes. “Ploeg eens een verharde weg om”, zegt de Heeswijk-Dinthenaar gekscherend. Daarmee wil hij maar zeggen: zandwegen bieden een “magnifieke kans”. “Ze fietsen niet lekker, zien er onaf uit, maar vormen een spannend gebied voor insecten. De combinatie van onverharde weg, berm en sloot trekt een rijkdom aan beestjes aan.”

Het verbinden van natuur en het aanbrengen van diversiteit daarin wordt aangepakt met het project bijenlandschap Oss en Bernheze en de StiKa-subsidie, waarmee agrariërs akkers voorzien van bloemenranden. Veel van hen maken gebruik van de regeling, vertelt Peter van Boekel, wethouder van de gemeente Bernheze, terwijl hij de bloemenrand aan de Vinkelse Bunderstraat toont. Ook de combinatie van sloot, berm en zandweg geeft insecten luwte en infrastructuur, weet de wethouder: “Vroeger maaiden we alles weg tot aan de sloot, nu laten we het hoge gras rondom bomen staan. Gif voor onkruidbestrijding gebruiken we al jaren niet meer.” De houtsingels worden voorzien van meerdere plantsoorten, vult Esther Rutten, beleidsmedewerker bij de gemeente Bernheze, aan. De maatregelen bieden tegenwicht aan monotone akkergewassen, voor insecten “een voedselarme woestijn”.

Gedeelde verantwoordelijkheid
Het is een klus die het gemeentebestuur niet op eigen houtje klaart. Rutten: “Het grootste deel van de gemeentegrond is in handen van agrariërs en particulieren. Je krijgt ze mee als ze het belang van natuur ervaren.” Bijvoorbeeld in het natuurgebied rondom de Peelrandbreuk die door Bernheze loopt. Natte en droge grond op één plek: dat trekt “unieke planten als het moeraskartelblad”. Hier kan de tuinbezitter zijn licht opsteken. “Tegel eruit, plant erin”, zoals Van den Broek het verwoordt. “En een bijenhotel heb je zo gemaakt met stukjes bamboe.”

Dat wellicht niet iedere tuinbezitter zit te wachten op een inrichting die doet denken aan de wilde natuur rondom de Peelrandbreuk of de minder overzichtelijke ontmoetingstuin, begrijpt de vrijwilliger. Tegen het schuurtje in de tuin van Servaes staat een scheef gestapelde rij dakpannen; ernaast ligt een bergje zand waarop verschillende grassoorten groeien. Ongetwijfeld een aantrekkelijk habitat voor een insect, maar wie houdt van een strak gazon zal er anders over denken. Met zulke opvattingen weet Van den Broek wel raad. Geschoold in de biologie en microbiologie, en met een loopbaan achter de rug als technoloog bij FrieslandCampina, beseft hij hoe groot de gevolgen van een verstoorde natuurcyclus kunnen zijn. “Ik hield me bezig met het maken van yoghurt. Daar zijn bepaalde bacteriën voor nodig. Je moet een omgeving creëren waarin ze floreren. Dit proces is een kleine natuurcyclus. Als die wisselwerking verstoord wordt, zie je de gevolgen direct. Dan mislukt de yoghurt en dat kost bakken met geld. In schril contrast hiermee staan de gevolgen van een verstoring van de grote natuurcyclus: die bleven lange tijd onzichtbaar. Ik roep al jaren dat het slecht gaat met de insecten, maar mensen haalden vaak hun schouders op. Met de recente publicatie van een Duits onderzoek naar insectenaantallen en het werk van Natuurmonumenten zijn de gevolgen concreet geworden. Hopelijk komt deze klap aan. We kunnen nog wel even door. Maar als we niets doen, komt de voedselproductie van onze kleinkinderen in gevaar. Zonder de bestuiving door bijen geen fruit. Zonder insecten geen muurhagedis. Zo hangt alles met elkaar samen. Insecten koesteren is in het eigenbelang van de mens.”

Wie het belang van insecten onderkent, is misschien bereid om meer te betalen voor voedingsmiddelen, denkt de IVN’er, die benadrukt dat het weinig constructief is om in deze discussie de zwartepiet door te spelen. Volgens hem kunnen agrariërs minder pesticiden gebruiken, maar moeten consumenten ook hun verantwoordelijkheid nemen: “Pesticiden gebruiken werkt uiteindelijk averechts. Je doodt de bij die je in wilt zetten voor bestuiving van gewassen. Sluipwespen, ook buiten kassen, zijn een alternatief. Duurzaam produceren werkt echter alleen als consumenten niet gaan voor het goedkoopste product.” De chemische bestrijding van bladluis is slecht voor de bij, maar tegelijkertijd willen veel consumenten geen luizen zien op hun groenten, zegt Nico Miedema, bestuurslid van ZLTO Bernheze en eigenaar van melkveehouderij De Waaistap in Heeswijk-Dinther. Volgens hem is het belangrijk om alle oorzaken van insectensterfte mee te nemen en niet enkel te kijken naar bestrijdingsmiddelen. “Maar dat neemt niet weg dat we moeten minderen. Onze boeren en tuinders doen dat ook. De samenstelling van bestrijdingsmiddelen wordt voortdurend aangepast door onze leveranciers. Dat leidt tot gerichter gebruik: je doodt niet álles. Pesticidengebruik nabij sloten vermijden we. Daarnaast wordt het gebruik minder door de inzet van sterkere gewassen. De sluipwesp is een alternatief, maar alleen in de kas. Om bijen te helpen, worden bijenhotels en bloemenranden ingezet.” Kunstmest, ook geen insectenvriend, wordt nog maar weinig gebruikt in tegenstelling tot stalmest, zegt Miedema. “Kunstmest kozen we vroeger als grasbemesting met de gedachte dat koeien niet willen eten van gras dat groeit op stalmest. Stalmest is echter goed voor wormen in de bodem.”

 

Toelichting: branded content. Gepubliceerd in De Ondernemer (DPG Media). De pagina van De Ondernemer verschijnt iedere dinsdag in de regionale dagbladen van De Persgroep, Het Parool en het AD. Zo kunnen ondernemers zich presenteren als specialist op bepaalde onderwerpen. (www.deondernemer.nl)

Dit bedrijf sleept meer klanten binnen door ‘breinverstoringen’

Het is niet eenvoudig verwondering te wekken bij mensen die dagelijks geconfronteerd worden met een overdaad aan reclame. Met ‘breinverstoringen’ is dat wél de uitdaging die Klaas Nagel met Wij Doen Dingen aangaat door kunst en ICT te combineren.

Klaas Nagel, bedrijfsontwikkelaar van Wij Doen Dingen maakt met een vraag zijn punt: “Ben je weleens in Cuba geweest? Commerciële boodschappen zie je daar eigenlijk niet. Hier in het westen worden we ermee overspoeld. Gek eigenlijk. Ons brein reageert er nauwelijks nog op. Wil je de aandacht trekken, dan moet je een nieuwe ‘breinverstoring’ creëren. Een zorgvuldig geëtaleerd paar schoenen loop je zo voorbij, maar wat als het lijkt alsof ze in brand vliegen op het moment dat je langsloopt?” Het is één van de manieren waarop het Bossche ontwerpbureau de digitale wereld inzet om de werkelijkheid, in de woorden van de ontwikkelaar, ‘te verrijken’. Dat neemt verschillende vormen aan. Met een virtual reality-bril op ontsnap je aan de realiteit, met augmented reality projecteer je iets op de buitenwereld. Om het laatstgenoemde te illustreren: je staat tussen het hoge gras en ziet op je telefoon dat er een Pokémon ronddwaalt.

Virtual Reality
“Zulke technieken brengen niet alleen kinderen in beweging, ze kunnen ook van toegevoegde waarde zijn voor overheden of bedrijven”, benadrukt Nagel. “Zij willen immers informeren, overtuigen of vermaken. Via een app kan een klant zien of een nog te plaatsen hekwerk past bij de inrichting van de tuin. Je bekijkt de tuin door het telefoonscherm doordat in de digitale wereld het hek al is geplaatst. Of neem een opdrachtgever als De Efteling, waar een magische kijker vermaak brengt: wie door de lens tuurt, ziet mythische wezens vliegen. Het educatieve aspect, tenslotte, krijgt invulling bij Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het waterschap schakelde het ontwerpbureau in om met behulp van virtual reality de leeropbrengst van gastlessen te verbeteren.”

Deze innovaties zijn volgens Nagel ook interessant voor kleine ondernemers met minder investeringsmogelijkheden: “Bedenk dat je er veel mee kunt besparen. Door bijvoorbeeld kennisoverdracht eenvoudiger te maken met behulp van een augmented reality-bril. Als een oude rot in het vak over alle benodigde kennis beschikt van een specifieke machine, hoe zorg je er dan voor dat de rest van het personeel zo snel mogelijk op de hoogte is? Via zo’n bril kunnen werknemers die de apparatuur bedienen snelle instructies krijgen van de expert op afstand. Ook verzekeringsmaatschappijen kunnen de stand van zaken in een woning makkelijk in kaart brengen met zo’n bril zonder een tijdrovende rapportage te hoeven schrijven.”

Het is inmiddels tien jaar geleden dat Wij Doen Dingen het daglicht zag. De creatievelingen zochten destijds nog naar een passende bedrijfsnaam waarbij hen duidelijk was dat techniek een steeds grotere rol speelt in het leven. Daar moest iets mee gebeuren. Onderweg naar het eerste project brachten Cyril de Vroom en zijn nieuwe collega’s, die net waren afgestudeerd aan de kunstacademie in Breda, een brainstormsessie op gang: “Wat doen we eigenlijk? Wij doen dingen.” De kwinkslag maakt het mogelijk uiteenlopende disciplines – marketing, communicatie, design en ICT – in één zin te vatten. De naam mag luchtig zijn, de missie van de tien werknemers is serieus, verzekert Nagel: “Wij zien de technologie die we inzetten altijd als middel. Zo voorkom je bijvoorbeeld dat het plezier van de VR-bril kennisoverdracht verdrijft. We willen er ook maatschappelijke problemen zoals eenzaamheid mee aan gaan pakken.”

Gastlessen
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) heeft zijn gastlessen op basisscholen vernieuwd en schakelde hiervoor ontwerpbureau Wij Doen Dingen in. Het waterschap zette eerder al virtual reality in om leerlingen uit groep zeven en acht een hoge waterstand te laten ervaren. Maar volgens Nina Lambalk, communicatiespecialist bij HHNK, zijn de vernieuwde lessen hier eigenlijk niet mee te vergelijken. “Wij Doen Dingen heeft het veel grootser aangepakt door een interactieve les te ontwikkelen: VR is slechts één onderdeel, in aanvulling op het bieden van informatie en een quiz.” De VR-bril brengt de klas aan boord van een drone die een gemaal verkent, waardoor bezoek op locatie niet noodzakelijk meer is. Ook simuleert de bril een uitdaging: welke vier voorwerpen stellen de leerlingen veilig wanneer hun huis onder water dreigt te lopen?

Volgens Lambalk sluit de nieuwe technologie goed aan op de belevingswereld van de kinderen, waardoor de informatie beter beklijft. “Natuurlijk is deze doelgroep al veel gewend op het gebied van games. Zo’n spel ontwikkelen is dus niet makkelijk. Na afloop van de les kwamen ze naar me toe met de vraag of ze het vaker mogen spelen. Het heeft dus indruk gemaakt. Dat is ons hoogste doel, want zo vertellen ze het onder het avondeten aan hun ouders, die we ook graag informeren.”

‘Zinvolle discussies’
Het waterschap heeft inmiddels een pilotonderzoek naar VR afgerond en gaat de effecten van de techniek nog verder in kaart brengen. “We zien al wel dat de leerlingen nu veel actiever en interactiever met de stof aan de slag gaan. Er ontstaan bijvoorbeeld zinvolle discussies over het veiligstellen van de voorwerpen. Het mobieltje wordt dan vaak genoemd. Maar het bergen daarvan heeft geen zin als telefoonnetwerken platliggen. Je leert dus veel van deze discussies. De les sluit aan bij 21e-eeuwse vaardigheden, zoals samenwerken en reflecteren, die we van ze verwachten.” Het op droge wijze afdraaien van een PowerPointpresentatie is dus verleden tijd.

Het waterschap kwam Wij Doen Dingen op het spoor in Het Noordbrabants Museum, waar bezoekers op initiatief van het ontwerpbureau digitaal konden zien hoe een jarentachtigkapsel ze zou staan. Niet veel later ontving Wij Doen Dingen een mailtje: of ze dertig VR-brillen en helmen konden leveren? Het werd het spel Waterhelden, met VR als onderdeel.

Toelichting: branded content. Gepubliceerd in De Ondernemer (DPG Media). De pagina van De Ondernemer verschijnt iedere dinsdag in de regionale dagbladen van De Persgroep, Het Parool en het AD. Zo kunnen ondernemers zich presenteren als specialist op bepaalde onderwerpen. (www.deondernemer.nl)

Handelen in de geest van Bata

Elkaars expertise aanvullen, onderdeel zijn van een gemeenschap en focus vinden dankzij het voorzieningenniveau en de industriële werkomgeving. Dat is wat ondernemen op het terrein van C’park Bata in Best met zich meebrengt, vertelt community manager Inge Castelijns.

De hoge, gestripte fabrieksmuren ogen ruw. De enorme ramen waardoor de ochtendzon binnenvalt brengen, in contrast hiermee, een gevoel van ruimtelijkheid en rust. Deze uitstraling verraadt de oorspronkelijke bestemming van het entreegebouw van C’park Bata in Best. Ooit onderdeel van schoenenfabrikant Bata, tegenwoordig industrieel erfgoed.

Toch wordt er nog volop gewerkt. Vandaag de dag door ondernemers, actief in uiteenlopende sectoren, die samen een business community vormen. De herinrichting van de locatie, in september vorig jaar officieel geopend, is een initiatief van Batadorp Heritage, ontwikkelaar C’magne en de gemeente Best.

Bata is niet geheel van het terrein verdwenen: de fabrikant produceert er werkschoenen, Bata Superstore verkoopt er artikelen. In aanvulling hierop zijn nieuwe vormen van bedrijvigheid ontstaan. Inmiddels zijn er 23 ondernemingen gevestigd, van eenpitters tot MKB’ers. Het zou geweldig zijn als deze gemeenschap in de toekomst de grootte van C-Mill in Heerlen evenaart, waar zo’n 1.300 mensen werken, zegt community manager Inge Castelijns, die dat park als voorbeeld aanhaalt.

Divers gezelschap
Het is beslist niet het eerste bedrijvenpark in de regio. Hoe onderscheidt deze gemeenschap zich van de andere locaties? Waarom zou een ondernemer die zoekt naar een bedrijfsruimte juist voor C’park Bata kiezen? “Bij andere parken zie je dat mensen met een vergelijkbare achtergrond elkaar opzoeken. De creatievelingen zitten bij elkaar, of de ondernemers die opereren in het topsegment. Hier is het gezelschap meer divers: accountants, kunstenaars, een groothandel in kinderkleding. We vullen elkaar aan, maken gebruik van elkaars expertise”, benadrukt Castelijns.

Haar kantoor kijkt uit op een striptekening die een volledige fabriekswand bedekt. Die vertelt het verhaal van de oprichters van Bata, Tomáš en Antonin Baťa. Een eerbetoon aan hen, licht Castelijns toe. “We handelen in hun geest. Zij zorgden destijds voor voorzieningen die de werknemers, die woonden in de fabriekswijk Batadorp, samenbrachten. Een bioscoop, bijvoorbeeld. Dat willen we nu ook bereiken door allerlei activiteiten te organiseren. Er zijn gelegenheden om te pitchen. Maar ook informele koffiemomenten of de picknick die we onlangs vanwege het mooie weer organiseerden, creëren een saamhorigheidsgevoel.” Samen sporten hoort daar evengoed bij, vertelt de gastvrouw terwijl ze de verslaggever rondleidt in de sportschool. Mensen zijn er fanatiek met ijzer en roeiapparaten in de weer. “We zorgen voor afwisseling”, zegt de instructeur. “Vorige week stond thaiboksen op het programma.”

Voor ieder wat wils
Een gedeelte van het terrein wordt nog omgebouwd. Zo wordt er een park aangelegd en een barbecuelocatie ingericht. De inrichting van pand waar straks de ambachtslieden verblijven, vordert gestaag. Transparante werkruimtes worden het, zodat ondernemers gemakkelijk contact leggen. Kantoor- en bedrijfsruimtes zijn over het gehele complex te vinden, zowel groot als klein. Zo is er in het derde gebouw nog plek voor een paar grote bedrijven met een oppervlakte tot 1500 vierkante meter. Maar belangstellenden kunnen op het park al huren vanaf 24 vierkante meter. Castelijns zoekt momenteel naar twee passende ondernemingen voor de grote ruimtes.

Als hotelier stelt ze zich dienstbaar op tegenover huurders. Post, internet, afvalverwerking: ze kunnen deze zaken aan haar overlaten. Ook voor potentiele huurders houdt ze de drempel laag: “Wie vragen heeft over of interesse heeft in een werkplek, kan altijd mijn kantoor binnenlopen.” Ze hoort vaak van hen terug dat werknemers er een goede focus vinden. “Thuiswerkers die de sprong gewaagd hebben, geven aan dat deze locatie hen inspireert. Daarnaast zijn alle voorzieningen geregeld, waardoor je echt aan werken toekomt. Deze combinatie brengt rust en concentratie. Daarnaast scheelt het in de kosten. Door de aanwezigheid van keuken, vergaderruimtes en lunchroom hoef je aanzienlijk minder te betalen dan wanneer je de ruimte voor deze voorzieningen moet huren.”

 

Toelichting: gepubliceerd op de website van De Ondernemer en in PZC.

Chef-kok van Spetters: ‘Michelinster verandert verwachtingspatroon van gasten en jezelf’

Investeer je direct in je bedrijf wanneer je de wind in de zeilen hebt? Chef-kok Laurent Smallegange bij Restaurant Spetters in Breskens koos juist voor kleine stapjes nadat hij werd bekroond met een Michelinster. Bij de verkiezing dit jaar wisten Smallegange en zijn keukenbrigade die ster wederom te behouden.

Een ondernemer die plotseling succes ervaart als gevolg van erkenning en een daaropvolgende groeiende marktbehoefte, wordt aan het denken gezet over de koers van zijn bedrijf, zeker op financieel gebied. Investeer je in je onderneming om de groei op te kunnen vangen? En welke keuzes maak je dan?

Het overkwam Laurent Smallegange, chef-kok en eigenaar van gastronomisch Restaurant Spetters in Breskens, toen hij 2,5 jaar na de opening een Michelinster ontving. Dit jaar behield hij wederom zijn Michelin-ster. In dit verhaal deelt hij zijn lessen. De bekroning op zijn werk heeft een blijvende impact op zijn bedrijfsvoering, vertelt hij.

Gault&Millau
De waardering voor het vakmanschap van Smallegange – én zijn team, ‘want in je eentje lukt dit niet’- komt vanuit verschillende hoeken. Restaurantgids Gault&Millau verkoos hem tot belofte van het jaar 2015. Jeunes Restaurateurs (JRE) riep hem in 2016 uit tot Chef van het jaar en in 2017 ontving hij, ook uit handen van JRE, de Heritage Award. De Michelinster, in de woorden van de chef-kok “een internationaal fenomeen”, ging nog vooraf aan deze prijzen en bracht misschien nog wel het meeste teweeg.

Michelin
Smallegange: ,,Hoewel het niet de intentie is van Michelin, verandert de ster het verwachtingspatroon van jezelf en van je gasten. De beoordeling is hoofdzakelijk gericht op de keuken en de bediening, maar het verwachtingspatroon van je gasten strekt veel verder dan deze aspecten. De verwachtingen hebben betrekking op de ambiance in het restaurant: van het meubilair tot en met de borden, de gerechten en de wijnglazen.”

Aan al deze zaken besteedt het team nu meer aandacht. Als gevolg hiervan is de beloning van het personeel gestegen, net als de prijzen van de gerechten.

Restaurant Spetters
Onafhankelijk van deze erkenning heeft Spetters al sinds jaar en dag een troef in handen, is de overtuiging van Smallegange. Zijn ouders en hij namen Spetters, toen nog een bistro, in 2010 over van de vorige eigenaren en verbouwden de locatie tot gastronomie. Ze investeerden meteen in de keuken. Het fundament voor goed eten in het Zeeuwse vissersdorp Breskens was gelegd. ,,Mensen komen hierheen voor rust en lekker eten met uitzicht over de jachthaven en de Westerschelde. Dat zijn belangrijke ingrediënten om gasten aan je te binden.”

De locatie stond dus al op de kaart. De ster deed er nog een schepje bovenop. ,,We zijn nog beter vindbaar geworden, ook voor gasten uit het buitenland. We zaten kort na de bekendmaking dan ook dagelijks vol, binnen én buiten op het terras.”

Toch besloot Smallegange zijn investeringen te spreiden over meerdere jaren. ,,We zijn organisch gegroeid, in kleine stapjes.”

Eb&Food
De grootste investering, het vernieuwen van het interieur, volgde pas drie jaar na het in ontvangst nemen van de ster. Nieuwe plafonds, meubilair, vloer en verlichting zorgen voor een ruimtelijke, eigentijdse uitstraling.

Wel was het hem van meet af aan duidelijk dat het binnen én buiten op peil houden van het gastronomisch niveau zwaar drukt op het team. Een creatieve oplossing, ‘je bent ondernemer of je bent het niet’, was vereist. ,,Onze keuken is niet groot, terwijl je tussen de zes en acht gangen per zitplaats serveert. Alleen in het restaurant heb je vijftig zitplaatsen.”

Vandaar dat hij voor het overdekte terras het laagdrempelige concept Eb&Food bedacht: mensen strijken er neer voor oesters en drankje, niet voor acht gangen. Eventueel kunnen ze later aanschuiven bij Spetters op de eerste verdieping van het pand.

,,Spetters is natuurlijk bedoeld voor iedereen, maar voor toeristen is Eb&Food toegankelijker.” Want dat is het tegenstrijdige effect van de ster: hoewel het restaurant nu ook in het buitenland op de kaart staat, verhoogt het nieuwe allure van de gastronomie voor sommigen de drempel, zegt hij.

Bourgondisch
Al is het waar dat Smallegange en zijn team nu meer aandacht dan voorheen aan hun gerechten schenken, dat leidt nog niet tot een fundamenteel aangepaste keuken of zienswijze, die hij karakteriseert als bourgondisch. ,,We gebruiken veel vis, schaal- en schelpdieren en vlees uit de regio.” In aanvulling hierop put de chef-kok inspiratie uit keukens over de hele wereld. Zo waardeert hij de Japanse keuken vanwege de puurheid van smaak en de raakvlakken ervan met typisch Zeeuwse gerechten: in beide gevallen zijn zeewier en vis prominent aanwezig.

Om de investeringen te kunnen bekostigen, klopte de eigenaar van Spetters aan bij de bank. Een bewuste keuze, want Smallegange wil in zijn ondernemerschap dicht bij zichzelf blijven. Dat een externe geldschieter een stempel op zijn bedrijf drukt, wil hij voorkomen. ,,Liever een jaar niet investeren, dan de regie kwijtraken.”

Toch zijn er ook andere factoren die een ondernemer dwingen tot investeren, of je nu succes ervaart of niet. ,,Je ziet de restaurants om je heen veranderen. En de duurzame trend, als reactie op overbevissing, beïnvloedt je keuzes. Je kunt niet achterblijven.”

Als chef-kok laat hij zich leiden door zijn eigen creativiteit en de seizoenen, als ondernemer door de marktvraag. ,,Het gaat hierbij om het vinden van de juiste balans: rekening houden met de omstandigheden en tóch dichtbij jezelf blijven – zonder eigenwijs te worden.”

Hotelschool
Smallegange illustreert dit met een voorbeeld. ,,Je houdt rekening met je gasten. Witte truffel kun je niet overal serveren. Dat voel je aan.”

Vervolgens zoekt hij wederom naar evenwicht, bijvoorbeeld tussen fris, pittig en zoet. Het hoofdgerecht moet spreken, mag niet verloren gaan in het geheel. Een saus brengt vervolgens verrijking. Het zijn lessen van zijn vader, die hij als een van zijn leermeesters beschouwt. Die voorbeelden, ‘iedere chef heeft zijn eigen signatuur’, leerde hij kennen toen hij na hotelschool Ter Groene Poorte ervaring opdeed bij gerenommeerde restaurants. Op driejarige leeftijd stond hij al in de restaurantkeuken van zijn ouders. Dat hij kok wilde worden, wist hij al vroeg. ,,Maar een eigen restaurant en een ster, dat heb ik niet uitgestippeld, dat pakte gaandeweg zo uit.”

Status
De chef-kok geniet van de erkenning die hij krijgt, maar waarschuwt ook voor de keerzijde ervan. ,,Van een Michelin-restaurant verwacht je dat alles altijd goed is. Een te dure wijnkaart of te lang wachten op je gerechten: met zo’n status kan zoiets toch niet?”

De twee jaren die volgenden op zijn bekroning, was Smallegange dan ook vaak nerveus. “Het punt is: door het succes ga je voor jezelf de lat hoger leggen. Maar gelukkig zijn we gewend geraakt aan de situatie en kunnen we de eisen beter loslaten. We zijn kalmer geworden en staan daardoor sterker in onze schoenen.”

Wat helpt, is dat hij een sterk team om zich heen heeft verzameld. ,,Die basis heb je nodig. Een blik op de 48 zitplaatsen is genoeg om te beseffen dat je alleen weinig voorstelt. Het gaat er niet om de hoogst geschoolde medewerkers te vinden. Wilskracht is veel belangrijker.” Zijn team krijgt veel vrijheid, al mist de chef-kok het liefst geen enkel moment in de keuken, ook niet wanneer hij wordt geïnterviewd. ,,Ik blijf natuurlijk eindverantwoordelijk. Bovendien krijgt het personeel op deze manier hulp of bevestiging als dat nodig is.”

Chef-kok op zijn 22e
De rust bewaren. Niet te snel, te veel willen bereiken als je succes ervaart. Dat is een belangrijke les die hij meegeeft aan andere ondernemers. ,,Bedenk op een moment van succes dat je al heel wat hebt bereikt. Pas op de plaats maken, is verstandig. Ik was op mijn 22e chef-kok. Nu wil ik nog steeds van alles. Er ís ook zoveel te willen: in de hospitality-sector draait het steeds meer om beleving. Daar moet ik iets mee. Of je bedenkt dat de keuken te klein is.”

Er spookt dus van alles door zijn hoofd, ook als het goed gaat. ,,Dan is het cruciaal om even afstand te nemen: ik heb al vijftig gasten op zaterdag, wil ik echt nog meer uren draaien? Of wil ik een andere concept, zodat ik minder in de avonduren werk? Dankzij die helicopterview besef ik: ik wil mijn creativiteit blijven uiten zoals ik nu doe én aandacht schenken aan mijn gezin. Niet hard groeien dus, maar ook niet kleiner worden, want in de gastronomische keuken kan ik mijn ei kwijt.”

‘Hospitality in ons blad’
Want zeetong is te combineren met friet. Maar Smallegange zet liever een paar passen extra: gegrilde zeetong en truffel, geserveerd met open ravioli, ossenstaart, paddenstoelen en witte truffelboter. In zijn ideeën wordt hij dus niet beperkt. Begrensd worden hij en zijn gasten enkel door het water, vanwege de ligging van Spetters.

,,Als je eenmaal in Zeeland bent, kun je niet veel kanten op. Daarom willen we hier een suite beginnen, zodat je na afloop van het diner de deur niet meer uit hoeft.” De verbouwing is inmiddels volop gaande. Zo blijft Smallegange ondernemen. “Hospitality zit in ons bloed.”

Toelichting: Brandend content. Gepubliceerd in De Ondernemer (De Persgroep). De pagina van De Ondernemer verschijnt iedere dinsdag in de regionale dagbladen van De Persgroep, Het Parool en het AD. Zo kunnen ondernemers zich presenteren als specialist op bepaalde onderwerpen. (www.deondernemer.nl)

‘Ondernemers en kunstenaars kunnen van elkaar leren’

In “vrolijke ernst” het gesprek op gang brengen over de rol van geld in de samenleving, ondernemerschap en het functioneren van de economie. Dat is de insteek van de voorstelling ‘Geld is HOT’, die Het Nationale Theater (HNT) maandag 19 november opvoert in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag.

Vrolijk, omdat de voorstelling gevoelige onderwerpen bespreekbaar maakt door gebruik te maken van kunst. Zo verdubbelt illusionist Jochem Nooyen een geldbedrag, om het vervolgens te laten verdwijnen. Ernst, omdat volgens Paul Slangen, programmamaker van het HNT, serieus nagedacht moet worden over de manier waarop de economie georganiseerd is. “We stellen op een luchtige manier de omgang met geld aan de kaak. Dat is nodig wanneer je bedenkt dat geld verdienen steeds vaker als doel op zich wordt beschouwd zonder daarbij de maatschappelijke gevolgen ervan in ogenschouw te nemen. Door de inzet van kunst bagatelliseer je de kwestie niet, maar haal je juist de angel eruit. Ondernemerschap is van essentieel belang voor de samenleving, maar het kapitalisme kent evenzeer een schaduwzijde die besproken moet worden.” Dit is in een notendop de denkstof van de voorstelling.

Luikjes openzetten
Wetenschappers, podiumkunstenaars en ondernemers schijnen hun licht over het onderwerp, waarna het in de foyer de beurt is aan de theaterbezoekers. Te gast zijn onder anderen econoom Ewald Engelen, Radio 1-journalist Jellie Brouwer, ondernemer Rahma el Mouden, theatergroep Firma Mes en de Haagse band Niko. Slangen nam theatercolleges als voorbeeld voor de ondertussen twee jaar lopende HOT-serie. Het Nationale Theater vindt het zinvol om in deze reeks mensen met verschillende achtergronden en expertises op het podium te zetten, in plaats van slechts één spreker. “Kunstenaars kunnen veel leren van ondernemers en andersom. Ondernemers zijn vaak optimisten die risico’s durven nemen. Kijk naar het verhaal van Rahma, die haar eigen schoonmaakbedrijf begon. Het geld dat ze heeft verdiend, zet ze in om jong talent verder te helpen, en zo iets te betekenen voor de maatschappij. Maar geld wordt ook weleens ingezet om méér rijkdom te vergaren. Zoiets mag je best bevragen: als je al twee miljoen op de bank hebt staan, wat voegt die andere twee miljoen dan toe?”

Bevragen en de verbeelding prikkelen is precies wat een kunstenaar doet, benadrukt de programmamaker: “Die zet als het ware luikjes open: bezoekers komen op nieuwe ideeën en worden aangezet tot denken.” Ze krijgen daarbij een steuntje in de rug van Engelen, hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam, die de fundamentele vraag opwerpt wat geld eigenlijk ís. De programmamaker hoopt dat de hoogleraar inzichtelijk kan maken waarom we in tijden van overvloed kampen met armoede en waarom bepaalde politieke keuzes worden gemaakt. “De groeiende economische ongelijkheid creëert een tweedeling in de samenleving, zowel op landelijk niveau als hier in Den Haag, waar we arme wijken hebben. We zijn een hartstikke welvarend land, maar tegelijkertijd zijn er toch mensen afhankelijk van de voedselbank. Dat is toch vreemd? En waarom schiet de overheid wel de banken te hulp, maar wordt er geaarzeld bij een ziekenhuis dat omvalt? Dat wil ik begrijpen.”

Begrijpen zonder te oordelen
Elkaar proberen te begrijpen zonder te oordelen, is de uitdaging van de avond. “In het publieke debat zie je eigenlijk te vaak dat mensen slechts een punt willen maken en hun opvattingen niet willen bijstellen. Ze zijn dan niet uit op een werkelijk gesprek. Als je zo een moeilijk probleem wilt tackelen, kom je geen stap verder.” In de schouwburg kan dat patroon misschien doorbroken worden, hoopt Slangen. “Kijk, Rahma doet in twintig minuten tijd haar persoonlijke verhaal over succesvol ondernemen. Je bent heel kwetsbaar op zo’n moment. Tegelijkertijd zorgt deze opstelling ervoor dat mensen makkelijker met haar en met elkaar het gesprek aan gaan. Het breekt het ijs.” Slangen zag het gebeuren tijdens een eerdere editie. De kloof tussen mensen met verschillende achtergronden leek aanvankelijk onoverbrugbaar, maar werd toch gedicht. Op zulke momenten wordt voor hem bevestigd dat het theater weer dient als gemeenschapshuis waar mensen samen komen – zijn ideaal.

De avond over geld is zeker niet de laatste in de reeks. De onderwerpen eenzaamheid, de nieuwe mens en de boze witte man volgen.

Toelichting: een artikel afkomstig van een serie die ik schreef voor De Ondernemer in opdracht van de Belastingdienst.

Een goede administratie: van dwarrelende bonnetjes naar inzicht in je bedrijf

Het opzetten en bijhouden van een goede administratie geeft ondernemers, onder wie veel starters, inzicht in hun bedrijf. Hoe pak je het aan? Daarover gaat dit artikel.

Een ondernemer die handelde in drank, had meer dan twee ton aan omzet gedraaid. Zijn situatie leek er rooskleurig uit te zien. ,,Maar op de inkoop, ook twee ton, had hij geen zicht”, vertelt Ferry Hoogerheijde, startersvoorlichter bij de Belastingdienst. Met een goede administratie had de persoon in kwestie dit vertekende beeld kunnen voorkomen.

,,Het bijhouden van een administratie is wettelijk verplicht, maar doe je dus vooral voor jezelf. Zodat je de juiste keuzes kunt maken op basis van inzicht in je bedrijf”, zegt Hoogerheijde. Daarnaast vormt je administratie de basis voor de belastingaangifte en, uiteindelijk, de te betalen of terug te ontvangen belasting.

Weergave van alle bedrijfsactiviteiten
Veel ondernemers vragen zich af welke gegevens ze moeten bijhouden voor hun administratie. En hoelang ze die moeten bewaren. In het algemeen kun je zeggen dat een administratie een weergave geeft van alle activiteiten van een bedrijf, op papier of digitaal. Enkel het bijhouden van de financiële bedrijfsgegevens is niet afdoende. Je bewaart bijvoorbeeld kopieën van verzonden facturen, het origineel van ontvangen facturen, bankafschriften, contracten en overeenkomsten, je agenda met afspraken en je gewerkte uren. Maar er zijn ook verschillen per bedrijf. Een ondernemer die bijvoorbeeld op de markt staat en werkt met contante betalingen, houdt een kasadministratie met kassabonnen bij.

Een ondernemer moet zijn administratie zeven jaar bewaren. Deze termijn gaat pas in op het moment dat gegevens niet meer actueel zijn. Denk hierbij aan een huurcontract van vijf jaar dat onderdeel is van je administratie. Na vijf jaar is dat contract niet meer actueel. Vanaf dat moment begint de bewaartermijn van zeven jaar.

Praktische vragen
Voor Guido de Bruin, begin dit jaar gestart met cateringbedrijf Krop en Kool in Utrecht, was het even zoeken naar de juiste aanpak: ,,Omdat ik geen ervaring had met het doen van administratie, las ik er een aantal boeken over.” Dat hielp hem: zo begon hij niet blanco aan het onderwerp.

Een online boekhoudprogramma geeft hem veel richting. ,,Ik weet nu welke factuurgegevens ik moet registreren. Het is ook fijn dat het programma veranderingen op mijn zakelijke rekening direct meeneemt. Zo heb ik altijd zicht op mijn inkomsten en uitgaven.” Wel stuitte de jonge ondernemer bij het inrichten van zijn administratie op allerlei praktische vragen. ,,Zal ik de bonnetjes handmatig invoeren of maak ik een foto? Hoe administreer ik contante betalingen? Leg ik, voor de veiligheid als back-up, mijn administratie op voldoende plekken vast of neem ik de cloud erbij? Welke onderdelen van mijn administratie mag ik digitaal bewaren en welke moet ik afdrukken?” Beter omgaan met de aarde drijft hem, dus hij wil niet alles printen.

De Bruin heeft zijn administratie inmiddels grotendeels op orde. ,,Dat geeft me overzicht en rust. Dankzij mijn administratie zie ik hoeveel ik heb uitgegeven en wat mijn marges zijn. Wel ben ik van plan om een adviseur in te schakelen. Ik weet niet helemaal zeker of mijn administratie volledig is en of ik alle regelingen benut.”

Volledig, begrijpelijk en controleerbaar
,,Volledigheid, begrijpelijkheid en controleerbaarheid van de administratie zijn belangrijke aspecten, want dat maakt het doen van btw-aangifte makkelijker”, zegt Hoogerheijde. ,,Je beschikt dan snel over je verkoop- en aankoopgegevens.” Ook heeft de Belastingdienst dankzij deze aspecten bij controle zicht op de geld- en goederenstroom van het bedrijf.

Is de administratie bij controle onvolledig, bijvoorbeeld doordat er cruciale gegevens ontbreken, dan stelt de Belastingdienst de omzet, winst en de te betalen belasting vast. Voor een ondernemer is het dus slim om alle gegevens en berekeningen bij de hand te hebben. Dit om te blijven controleren of de aansluiting tussen administratie, aangifte en jaarrekening klopt.

De manier waarop De Bruin zijn administratie aanpakt, kan als voorbeeld dienen voor andere starters, denkt de startersvoorlichter bij de Belastingdienst: ,,Veel ondernemers hebben baat bij een online boekhoudprogramma. Vroeger moest je alles apart inboeken en ieder bonnetje een stempel geven. Tegenwoordig is het een kwestie van je bon scannen en hij staat op juiste plek in je administratie. De btw-aangifte rolt er bijna vanzelf uit.”

Ook jezelf verdiepen in het onderwerp administratie – nog voordat het bedrijf is gestart – en er tijd voor blijven reserveren, zijn aandachtspunten die helpen om alles op de rit te houden. ,,Spreek met jezelf af: ik ga daar één of twee uur in de week voor zitten.” Nog een tip van Hoogerheijde: ,,Ga na wat je digitaal of op papier kunt bewaren. Dat is afhankelijk van het soort betaling. Is die contant, dan bewaar je de bon. Facturen mag je volledig digitaal bewaren als je aan bepaalde voorwaarden voldoet.”

Veranderingen in 2020
Onderdeel van een administratie zijn inkomende en uitgaande facturen. De uitgaande factuur bevat een aantal gegevens. Eén daarvan is het btw-nummer. Dit nummer wordt vanaf 1 januari 2020 vervangen door het btw-identificatienummer (btw-id). Ondernemers moeten vanaf dit moment het btw-id gebruiken voor hun zakelijke contacten. In het btw-id is het Burgerservicenummer van de ondernemer niet opgenomen. Zo wordt zijn privacy beter gewaarborgd.

Iedereen met een eenmanszaak heeft het nieuwe nummer in oktober 2019 per post ontvangen. Starters met een eenmanszaak krijgen dit nummer van de Belastingdienst na registratie in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ondernemers kunnen anticiperen op deze veranderingen door hun briefpapier aan te passen en hun zakenrelaties te informeren. Zo beginnen ze goed voorbereid aan het nieuwe jaar.

Toelichting: Brandend content. Gepubliceerd in De Ondernemer (De Persgroep). De pagina van De Ondernemer verschijnt iedere dinsdag in de regionale dagbladen van De Persgroep, Het Parool en het AD. Zo kunnen ondernemers zich presenteren als specialist op bepaalde onderwerpen. (www.deondernemer.nl)

Een compleet én betaalbaar marketingteam voor iedere ondernemer: Make Marketing Magic

Effectieve marketing toegankelijk maken voor ondernemers. Het was aanvankelijk slechts een geloof, vertelt Jos Maassen, oprichter van Make Marketing Magic. Het bedrijf heeft inmiddels meer dan duizend ondernemers geholpen bij de groei van hun bedrijf.

Dat ondernemen meestal gepaard gaat met ploeteren en bikkelen, kreeg de eigenaar van Make Marketing Magic al op jonge leeftijd mee toen hij een bevriende ondernemer van zijn vader bezig zag. ,,Hij ging overdag de boer op om sokken te verkopen, sliep in zijn auto en nam een duik in een nabijgelegen zwembad om fris de dag te beginnen. Dát was de weg die voorafging aan succes”, zegt Jos Maassen.

Toch weerhield dat besef hem er niet van om later juist die weg in te slaan. Na acht jaar loondienst, bij Dell en Microsoft, lonkte in 2003 het ondernemerschap. Maassen zag namelijk ook een andere kant: the guts van mensen die hun droom willen realiseren. Zo’n droom heeft Maassen ook: wetende dat ondernemen heel pittig is, wil hij ondernemers met Make Marketing Magic helpen bij de groei van hun bedrijf. Dit is zijn ‘waarom’ en zijn drive.

,,Ondernemers zijn razend druk met het runnen van hun bedrijf. Er is vaak geen tijd, geld of expertise voor goede marketing. En toch is dit wat je nodig hebt als je je bedrijf duurzaam wilt laten groeien. Daarom doen wij dat voor ze”, zegt Maassen. De klanten van Make Marketing Magic, mkb-bedrijven, plukken de vruchten van effectieve marketing voor een vast laag bedrag per maand. Op basis van een bewezen methodiek ervaren klanten professionele marketing inclusief ondersteuning van ervaren tekstschrijvers, campagnemanagers, marketeers en het platform YourWoo.

Zoektocht
De concrete aanpak doet misschien vermoeden dat Maassen van meet af aan precies wist wat hij voor ogen had. Maar voor hem was het net zo goed een zoektocht. Ja, hij voelde zich direct ondernemer. Maar wat hij precies ging doen wist ie niet. ,,Ik heb een productiebedrijf gehad en was aandeelhouder van een restaurant, maar dat paste totaal niet bij me. Ik ontdekte dat ik iets moest kiezen wat dicht bij me ligt.” Dat werd Buro88, waarmee hij grote bedrijven ondersteunde met marketing en sales. Dat ging goed totdat de economische crisis dwong om na te denken over een nieuwe aanpak. Ook deze bedrijven moesten namelijk op hun uitgaven gaan letten.

In die periode klopten regelmatig kleinere bedrijven bij hem aan. ,,Zij hadden interesse, maar vonden onze methodiek te kostbaar. Hier lag een kans: het marketingmodel was effectief, maar we moesten het schaalbaar maken zodat het betaalbaar werd voor deze doelgroep. Het zaadje voor Make Marketing Magic was geplant.”

Het gros van de ondernemers worstelt – ook nu: ,,Je leest dan wel de verhalen over beursgangen en economische hoogconjunctuur, maar de meesten moeten snoeihard werken om hun ideeën te verwezenlijken. Volgens een studie gepubliceerd in de Harvard Business Review wordt het gat tussen kleine en grote bedrijven de laatste jaren alleen maar groter. Ondanks dat het lijkt dat je tegenwoordig zelf makkelijk aan marketing kunt doen, is het juist veel complexer geworden. Grote bedrijven hebben de mensen, de kennis en de technologie om marketing effectief uit te voeren. Hierdoor groeien zij ten koste van kleinere bedrijven.”

Specifieke kennis
Bij veel ondernemingen is er vaak één iemand belast met alle marketingactiviteiten: het creëren van unieke content, regelen van online advertising en het inzichtelijk maken van de resultaten en leads. ,,Een bedrijf moet het hele jaar top of mind zijn bij de doelgroep. Dat vraagt veel specifieke kennis en veel tijd. Eén persoon heeft zelden alle expertise in huis om dit goed te doen. Het zijn verschillende specialismen. Maar nog veel vaker zie ik dat zo’n medewerker überhaupt niet aanwezig is in een bedrijf, dan komen ondernemers vanwege de waan van de dag helemaal niet aan marketing toe. Het bungelt dikwijls onderaan op het lijstje – hoe belangrijk het ook is.”

Make Marketing Magic heeft de afgelopen jaren de noot gekraakt en een methodiek ontwikkeld op basis van wetenschap en jarenlange ervaring. ,,Onze effectieve en betaalbare marketing brengt alle kennis en kunde samen die grote bedrijven ook tot hun beschikking hebben. Hierdoor kan een kleiner bedrijf gebruik maken van alle kansen die de huidige technologie biedt. Voor een vast laag bedrag per maand. We voeren een compleet plan uit voor de prijs van een stagiaire. Zo heeft ieder bedrijf dezelfde kansen om te groeien.”

Ondernemers die ondernemers helpen
Inmiddels bedient de onderneming meer dan duizend klanten in Nederland en veertien andere Europese landen. Twee jaar geleden werd de stap naar België gewaagd, vorig jaar naar de rest van Europa. Een nieuwe vestiging in Londen én het verkopen van de tools en methodieken aan andere marketingbureaus zijn daar onderdeel van. Want andere bureaus staan voor dezelfde puzzel als waar Maassen indertijd voor stond. Zij hoeven nu niet zelf het wiel uit te vinden.

In 2020 maakt het bedrijf de stap naar de Verenigde Staten. Opnieuw werkt Maassen samen met Microsoft – ditmaal als ondernemer. Dat bedrijf ziet kansen om de aanpak van Make Marketing Magic in Amerika uit te rollen. ,,Daar is het idee gangbaar dat je het als ondernemer niet redt met alleen mond-tot-mondreclame. Tevens is er behoefte aan marketing als dienst. En dan niet: u vraagt, wij draaien. Het idee is immers niet dat wij het marketingplan van onze klanten uitvoeren. Wij nemen de marketing op ons volgens onze eigen bewezen methodiek.”

Wat Maassen daaraan zo gaaf vindt, is dat het ondernemers zijn die ondernemers helpen. ,,Een ondernemer komt verder dankzij de hulp van ons team van ondernemers. Onder hen bevinden zich veel creatieven zoals tekstschrijvers, filmmakers en (web)designers. Zij hebben dankzij deze basis meer rust om naast hun werk voor Make Marketing Magic aan een boek te werken of een film te maken.

Betekent de stap naar heel Europa dat de ondernemer zijn belangrijkste doelen heeft behaald? Nee, integendeel. ,,We scratch the surface. We willen zoveel mogelijk ondernemers bereiken. Nationaal en internationaal.”